Op 6 april 2012 heeft de Hoge Raad een uitspraak gedaan die in deze tijd van economische teruggang en druk op het resultaat voor veel ondernemers van belang kan zijn. Als ondernemer bent u wel bekend met de verplichting voor een bestuurder om tijdig aan de belastingdienst te melden dat de vennootschap niet in staat is om de verschuldigde belastingen en premies te betalen; de melding betalingsonmacht.
De melding van betalingsonmacht moet worden gedaan uiterlijk veertien dagen na de dag waarop de belastingplichtige de omzetbelasting uiterlijk moet hebben betaald. Die dag is geregeld in artikel 19, eerste lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) en in artikel 9, tweede lid, IW. De eerstgenoemde bepaling schrijft voor dat de belastingplichtige de omzetbelasting binnen één maand na het einde van het tijdvak van het doen van aangifte moet voldoen, terwijl op grond van de laatstgenoemde bepaling voor de betaling van naheffingsaanslagen in de omzetbelasting een vervaltermijn van 14 dagen geldt.
De wettelijke verplichting om de ontvanger in kennis te stellen van gebleken betalingsonmacht bestaat uit twee fasen. De eerste fase van de verplichting heeft betrekking op de melding van de betalingsonmacht en haar oorzaak. In deze fase moet de ontvanger zich een redelijk oordeel kunnen vormen over de oorzaken van de betalingsonmacht. Aan de hand van de in de eerste fase verstrekte informatie zal de ontvanger beoordelen of de tweede fase moet volgen. De tweede fase heeft betrekking op de verplichting om desgevraagd aan de ontvanger nadere, mogelijk uiterst gedetailleerde gegevens en inlichtingen te verstrekken en eventueel stukken te overleggen. Als de belastingschuldige de ontbrekende informatie niet volledig verstrekt of onjuiste inlichtingen geeft, dan merkt de ontvanger de melding aan als niet rechtsgeldig. De bevoegdheid van de ontvanger om naar aanleiding van een tijdige en volledige melding van betalingsonmacht te verzoeken om nadere gegevens, inlichtingen en gegevensdragers is geregeld in artikel 8 Uitvoeringsbesluit.
In de uitspraak van 6 april 2012 heeft de Hoge Raad bepaald dat het melden van een betalingsonmacht op zichzelf onvoldoende is in het geval de bestuurder van de vennootschap opzettelijk te weinig (in casu omzet)belasting heeft aangegeven. Die is van belang in verband met de bestuurdersaansprakelijkheid die volgt uit het niet dien van een rechtsgeldige melding betalingsonmacht. Daarmee scherpt de Hoge Raad de bewijsregels aan verband houden met de bestuurdersaansprakelijkheid.
Als een bestuurder tijdig een rechtsgeldige melding heeft gedaan, is hij alleen aansprakelijk als de Belastingdienst aannemelijk kan maken dat het niet betalen van de belastingen en premies het gevolg is van kennelijk onbehoorlijk bestuur dat aan de bestuurder te wijten is. Maar als een bestuurder geen rechtsgeldige melding heeft gedaan, is hij aansprakelijk, tenzij hij aannemelijk kan maken dat het hem niet te verwijten is dat hij geen rechtsgeldige melding heeft gedaan. Vervolgens moet hij nog aannemelijk maken dat het niet zijn schuld is dat de belastingen en premies niet zijn betaald.
Uit de uitspraak volgt dat de (in dit geval begin 2004) gedane melding inzake betalingsonmacht geen rechtsgevolg heeft voor de aansprakelijkheid met betrekking tot de naheffingsaanslag (van 29 augustus 2006) en de daarmee verband houdende heffingsrente, invorderingsrente en boete. Deze naheffingsaanslag was het gevolg van de geconstateerde, opzettelijke, onjuist aangiftes omzetbelasting.
Bestuurders zullen voortaan vaker tijdig moeten melden dat hun onderneming de verschuldigde belastingen en premies niet kan betalen. En ook zullen ze waakzaam moeten zijn dat de ingediende aangiftes zo volledig mogelijk zijn om uiteindelijk niet achteraf hoofdelijk aansprakelijk te zijn voor deze verplichtingen. Het is dan ook zaak om als bestuurder, bijvoorbeeld bij in dienst treden van de vennootschap, te laten controleren of deze aangiftes ook daadwerkelijk volledig werden en worden gedaan. Als u vragen heeft over bestuurdersaansprakelijkheid, neem dan contact met Mr Ernst-Jan Dubbeldam.