JuridischSchadevergoeding na een gewonnen procedure tegen UWV

16 april 20190

Inleiding

Eindelijk na jaren procederen een procedure tegen UWV gewonnen en alsnog een ZW of Wia-uitkering krijgen met terugwerkende kracht. Maar hoe zit het met de geleden schade die iemand heeft gelden doordat het inkomen door het weigeren of beëindigen van een uitkering weh was gevallen? Hieronder zal ik ingaan op de mogelijkheden om materiele en immateriële schadevergoedingen te claimen bij een onrechtmatig besluit door de overheid (UWV).

Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat een overheidslichaam dat een besluit neemt dat naderhand door de rechter wordt vernietigd wegens strijd met een wettelijke bepaling, een onrechtmatige daad begaat jegens degene die door dat besluit wordt getroffen. Daarmee is de schuld van het overheidslichaam in beginsel gegeven (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 27 augustus 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BE9369, BE9370 en BE9388). De vraag die vervolgens ter beantwoording voorligt, is of tussen het besluit enerzijds en de door appellant geclaimde schade anderzijds een oorzakelijk verband bestaat. Hierbij geldt als beginsel dat de schadevergoeding de schuldeiser zoveel mogelijk in de toestand moet brengen waarin hij zou hebben verkeerd indien het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden. Dat beginsel brengt mee dat de omvang van de schade wordt bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden (vergelijk met de uitspraak van de Hoge Raad van 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0539).

Naar vaste rechtspraak, zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 11 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP2317, dient in het kader van het bestuursrecht voor de beantwoording van de vraag of een partij schade lijdt en in welke omvang, zoveel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is, in aansluiting op de artikelen 6:162 en 6:98 van het BW, vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit en dat vervolgens alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen die in een zodanig verband staan met dat besluit, dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 18 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:446).

Materiële schade

Allereerst zal ik ingaan op de mogelijkheden om te verzoeken tot vergoedingen van materiele schade.
In een zaak die diende bij de Rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2016:223) werd verzocht om vergoeding van het financiële nadeel dat is geleden ten gevolge van het onder de marktwaarde verkopen van de auto en televisie, verder wensen zij vergoeding van incassokosten en betaalde rente. De rechtbank stelt vast dat de gestelde schade is ontstaan door vertraging in de betaling van de bijstandsuitkering. Artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW) normeert de omvang en de duur van de verplichting tot vergoeding van schade wegens vertraging in de voldoening van een geldsom. Het eerste lid van dat artikel bepaalt dat deze schadevergoeding bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. Het is vaste rechtspraak dat de gevolgen van een onrechtmatige intrekking van een uitkering, in beginsel zijn terug te voeren op de vertraagde uitbetaling van die uitkering, althans voor zover het gaat om kosten die zijn gemaakt als gevolg van het tijdelijk gemis aan geld door die intrekking. Zoals de CRvB heeft overwogen in zijn uitspraak van 9 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4087, brengt de strekking van artikel 6:119 van het BW mee dat de daarin aangewezen gefixeerde hoogte van de schade niet opzij kan worden gezet op de grond dat de rechthebbende meer schade heeft geleden dan alleen de wettelijke rente. De rechtbank concludeert dat er geen grond bestaat om aan verzoekers een hogere schadevergoeding toe te kennen dan de wettelijke rente. De CRvB bevestigt deze lijn in haar jurisprudentie. In deze vrij recente zaak (ECLI:NL:CRVB:2018:585) ging om iemand die vermogensschade leed als gevolg van het intrekken van een uitkering wat later werd gerepareerd. Hij vorderde ook schadevergoeding en de CRvB overwoog in die zaak:

‘De door appellant beweerdelijk geleden schade is terug te voeren op een tijdelijk gemis aan geld als gevolg van de onrechtmatige intrekking van de WIA-uitkering en toeslag. Het gaat hier dus om vermogensschade als gevolg van vertraging in de voldoening van een geldsom. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat deze schade geacht wordt te zijn vergoed met betaling van de wettelijke rente door het Uwv, zodat voor afzonderlijke vergoeding van deze schade geen plaats is. De rechtbank heeft het verzoek terecht afgewezen.’

Ook in een recente uitspraak bevestigt de CRvB deze lijn nog eens, de vermogensschade wordt geacht te zijn vergoed met betaling van de wettelijke rente door het UWV, zie: ECLI:NL:CRVB:2019:4145.

Juridische kosten

Vaak worden ook verzocht om vergoeding van de juridische kosten (rechtsbijstand en griffierecht). Het is vaste rechtspraak, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 7 juli 2004,ECLI:NL:CRVB: 2004:AQ5516, dat de regelingen ten aanzien van vergoeding van het griffierecht in artikel 8:74 van de Awb en de proceskosten in artikel 8:75 van de Awb, een exclusief en wat betreft de proceskosten limitatief en forfaitair karakter hebben. Voor een verzoek om schadevergoeding langs de weg van artikel 8:88 van de Awb is dat niet anders.

Belastingschade (zorg- en huurtoeslag bijvoorbeeld)

Na jaren procederen krijg je gelijk bij de rechter; de rechter oordeelt dat je doorlopend recht had op jouw ZW of Wia-uitkering. Eindelijk erkenning en een flinke nabetaling van UWV. Maar deze nabetaling zorgt voor problemen bijvoorbeeld met de zorgtoeslag en huurtoeslag. Daar heb je nu ineens geen recht meer op, of minder recht op en betekent dat je dit moet terugbetalen aan de Belastingdienst. Gelukkig heeft de Centrale Raad van Beroep bepaald dat je dit kunt opgeven bij UWV als schade en verzoeken om vergoeding daarvan. Zie bijvoorbeeld: ECLI:NL:CRVB:2019:3931.

Immateriële schadevergoeding

De meeste socialezekerheidszaken waarbij immateriële schadevergoeding wordt gevorderd, hebben betrekking op het overschrijden van de redelijke termijn van procedures (art. 6 EVRM). Wanneer er sprake is van geestelijk letsel zal betrokkene hiervoor immateriële schadevergoeding kunnen vorderen, naast een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, ik ga hieronder daar nog op in. De redelijke termijn voor het doorlopen van bezwaar, beroep en hoger beroep in sociaal zekerheidsrecht-zaken bedraagt:

* bezwaar: 6 maanden
* beroep: 18 maanden
* hoger beroep: 24 maanden
* totaal: 4 jaar

Is sprake van overschrijding van die redelijke termijn? Dan kun je daarvoor als particulier een vergoeding verzoeken. Het is namelijk vaste rechtspraak dat wordt verondersteld dat een particulier immateriële schade heeft geleden, in de vorm van spanning en frustratie. De hoogte van de schadevergoeding bedraagt, behoudens uitzonderingen, € 500,00 voor elk half jaar of deel daarvan dat de redelijke termijn is overschreden. Zie voor een zeer recente uitspraken: ECLI:NL:CRVB:2020:584. Een eventuele aanspraak op wettelijke rente over de wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekende schadevergoeding ontstaat pas vanaf vier weken na openbaarmaking van de uitspraak, zie: ECLI:NL:CRVB:2020:67.

Niet alleen particulieren, maar ook rechtspersonen kunnen hiermee geconfronteerd worden. Bijvoorbeeld eigenrisicodragers voor ZW/WIA. Kunnen zij ook een vergoeding verzoeken bij overschrijding van de redelijke termijn in de procedures die zij voeren? Ja, maar in die gevallen wordt schade niet veronderstelt en moet de eigenrisicodrager zijn schade aantonen. Ook daarvoor geeft de rechtspraak aanknopingspunten.

Een schadevergoeding voor immateriële schade vorderen na een gewonnen procedure tegen het UWV of andere uitkeringsinstantie? De CRvB heeft in haar van d.d. 3 oktober 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:3116) onder r.o. 3.3. het navolgende bepaald: ‘’Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft een benadeelde overeenkomstig artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De wetgever heeft bij de laatste categorie het oog gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer alsook op persoonlijkheidsrechten van de betrokkene. Verder moet worden bedacht dat voor vergoeding van immateriële schade onvoldoende is dat sprake is van een meer of minder sterk psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen door het onrechtmatig gebleken besluit. Verwezen wordt naar de uitspraken van de Raad van 30 juni 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BR1216), 26 oktober 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY3169) en 8 maart 2017(ECLI:NL:CRVB:2017:1103).’’

De CRvB hanteert de navolgende aanknopingspunten bij de beoordeling of er een recht bestaat op een immateriële schadevergoeding:
* de benadeelde is in zijn eer of goede naam geschaad of is op andere wijze in zijn persoon aangetast,
* de wetgever denkt daarbij aan ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer alsook op andere persoonlijkheidsrechten van de benadeelde,
* de benadeelde heeft geestelijk letsel dat kan worden beschouwd als een aantasting van haar persoon in de zin van artikel 6:106 lid 1 BW,
* onvoldoende is dat sprake is van min of meer sterk psychisch onbehagen en van zich gekwetst voelen door het onrechtmatig genomen besluit.
Zie bijvoorbeeld: ECLI:NL:CRVB:2018:1958 en ook Immateriële schadevergoeding in de sociale zekerheid, TRA 2011/98.

Recent bevestigt de CRvB nog dat het aannemelijk dat iemand is gekwetst en emotioneel is geraakt door het besluit waarbij zijn WIA-uitkering onrechtmatig is beëindigd. Echter is het onrechtmatige beëindigdingbesluit op zichzelf ontoereikend voor de conclusie dat er sprake is van aantasting van de persoon die recht geeft op schadevergoeding. Ook in deze zaak niet aannemelijk gemaakt dat hij zodanig leed heeft ondervonden van het onrechtmatige besluit, dat kan worden gesproken van geestelijk letsel dan kan worden beschouwd als een ernstige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer of andere persoonlijkheidsrechten als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 BW. Zie: ECLI:NL:CRVB:2019:4145. Mij is slechts één uitspraak bekend waar de CRvB een immateriële schadevergoeding van EUR 1.000,00 heeft toegekend, zie: ECLI:NL:CRVB:2018:3116, NJB 2018/1901.

Heeft u vragen of een besluit waar u het niet mee eens bent ontvangen? ik help u graag: meys@kampsvanbaar.nl of 046 – 420 56 60.

#Wia #ZW #SocialeZekerheid #KampsvanBaar #samenwetenweer

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Wilhelminastraat 25, 6131 KL Sittard
046-4205660
info@kampsvanbaar.nl

Volg ons op: