JuridischOver terugbetaling van de NOW-subsidie en de NOW 3.3

9 april 2021

De ‘Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid’ – beter bekend als de ‘NOW-regeling’ – is, net als het coronavirus, al langer bij ons dan ons lief is. Langzaamaan worden door het UWV de definitieve tegemoetkomingen vastgesteld. Het robuuste karakter van de NOW-regeling heeft het ongewenste neveneffect dat de regeling in individuele gevallen bijzonder nadelig kan uitpakken. Wat kan een werkgever die wordt geconfronteerd met een terugbetaling in zulk geval doen? In deze blog gaan wij kort in op deze problematiek. Verder bespreken wij kort de NOW 3.3.

Over de NOW-regeling is inmiddels al het nodige gezegd en geschreven. De NOW-regeling is opgeknipt in verschillende tijdvakken van drie of vier maanden. De NOW 1.0 voorzag in een tegemoetkoming in de loonkosten voor de maanden maart 2020 tot en met mei 2020. Inmiddels zijn wij aangekomen bij het vijfde tijdvak ofwel de NOW 3.3, welke aanvangt op 1 april 2021 en loopt tot en met juni 2021. De systematiek van de regeling is in het grote lijnen hetzelfde.

De NOW 3.3 voorziet in een tegemoetkoming in de loonkosten van werkgevers, van maximaal 85%, indien deze te maken hebben met een substantieel omzetverlies. Als substantieel wordt aangemerkt een omzetdaling van minimaal 20%.

Het is niet meer mogelijk een aanvraag in te dienen voor de eerste vier tijdvakken. Vanaf 17 mei 2021 is het mogelijk een aanvraag in te dienen voor de NOW 3.3.

Wanneer de ingediende aanvraag eenmaal door het UWV is goedgekeurd, dan ontvangt de werkgever een voorschot van 80%, dat in ten hoogste drie termijnen wordt uitbetaald.

De hoogte van het te ontvangen voorschot is afhankelijk van twee factoren. Aan de ene zijde de verwachte omzetdaling en aan de andere zijde de hoogte van de loonkosten in het desbetreffende tijdvak. Zoals zal blijken hebben de onrechtvaardig voelende terugvorderingen te maken met deze twee factoren.

Het verwachte omzetverlies wordt voor de NOW 3.3. berekend door dit te vergelijken met de omzet uit de zogenaamde ‘referteperiode’. De referteperiode is de omzet van 2019 gedeeld door vier. Voor de bepaling van de loonkosten wordt uitgegaan van de loonsom refertemaand. Voor de NOW 3.3. wordt uitgegaan van juni 2020 als loonsom refertemaand.

Inmiddels is het mogelijk om over de tijdvakken van maart 2020 tot en met mei 2020 (NOW 1.0) en juni tot en met september 2020 (NOW 2.0) de balans op te maken. De daadwerkelijke omzetdaling en de daadwerkelijk betaalde loonkosten kunnen nu worden vastgesteld. Voor de definitieve vaststelling moet de werkgever een aparte aanvraag doen bij het UWV. Thans zijn voor de NOW 1.0  en de NOW 2.0 de ‘vaststellingsloketten’ geopend. Op grond van deze aanvragen zal het UWV de definitieve tegemoetkomingen gaan vaststellen.

Gezien de robuustheid en de grofmazigheid van de NOW-regeling valt te verwachten dat er werkgevers zijn die voor onaangename verassingen komen te staan. Welke mogelijkheden resteert deze groep werkgevers nog?

Op de eerste plaats heeft de definitieve vaststelling van de tegemoetkoming door het UWV te gelden als een besluit van een bestuursorgaan. Hiertegen staat bezwaar open. Het bezwaar moet binnen zes weken na de beslissing van het UWV zijn aangetekend. Het bestuursorgaan, het UWV in dit geval, zal op basis van de aangevoerde bezwaargronden haar eerdere beslissing moeten heroverwegen. Minister Koolmees heeft in zijn kamerbrief van 22 maart 2021 enkele pijnpunten van de NOW-regeling blootgelegd. Een hiervan is dat de hoogte van de definitieve tegemoetkoming afhankelijk is van de werkelijk loonkosten in het tijdvak waarover de tegemoetkoming is ontvangen. Als blijkt dat de werkelijke loonkosten gedaald zijn ten opzichte van de loonsom uit de referentiemaand, dan betekent dit dat de tegemoetkoming op een lager bedrag wordt vastgesteld. Dit kan in sommige situaties zeer onrechtvaardig zijn, aangezien een daling van de loonkosten niet in alle gevallen aan de werkgever kan worden toegerekend.

Het is ook mogelijk dat de refertemaand geen representatief beeld verschaft van de gemiddelde loonsom, ook dit kan leiden tot een lager uitvallende subsidie.

Daarbij is het maken van een nauwkeurige inschatting van de omzetdaling voor veel werkgevers ook een lastige opgave. De voortdurende wijzigingen van de maatregelen hebben het maken van een juiste inschatting bemoeilijkt. Een te hoog ingeschatte omzetdaling zal leiden tot een bijstelling van de subsidie naar beneden.

De bezwaarfase dient als correctie van ongewenste neveneffecten van de NOW-regeling. Minister Koolmees heeft zelf aangegeven dat in de bezwaarfase gekeken moet worden of, binnen de (beperkte) uitvoeringsmogelijkheden van de NOW-regeling en de bedoeling van de regeling, maatwerk geleverd kan worden.

De bezwaarfase biedt de ruimte zake op individueel niveau te beoordelen. In het kader van de NOW-regeling is deze herbeoordeling zeer gewenst. De bezwaarfase dient als zeef om de schrijnende en/of onrechtvaardigen gevallen te detecteren en te corrigeren.

De werkgevers die onevenredig hard worden geraakt door enkele bepalingen van de NOW-regeling doen er daarom niet onverstandig aan tegen de definitieve vaststelling bezwaar aan te tekenen. Wij zijn u hierbij graag van dienst. Uiteraard kunnen wij u ook bijstaan in een eventueel daaropvolgende (hoger) beroepsprocedure.

Heeft u vragen over uw specifieke rechtspositie of wenst u juridische bijstand in de procedure? Naam dan telefonisch (046 – 420 56 60) of per e-mail contact op met
mr. Jeroen Gorissen (gorissen@kampsvanbaar.nl), mw. mr. Nicole Laumen (laumen@kampsvanbaar.nl) of mr. Gilles Bremmers (bremmers@kampsvanbaar.nl).

Wilhelminastraat 25, 6131 KL Sittard
046-4205660
info@kampsvanbaar.nl

Volg ons op: